Jan de Boer (1949) gebruikt voor zijn objecten materialen die ook in de bouw toegepast worden, zoals epoxyhars en masoniet. Soms voegt hij er met acryl of kersenbeits kleur aan toe.
Hij noemt ze wandobjecten. De vaak lange smalle objecten zijn dicht naast elkaar aan de witte wand opgehangen, zorgvuldig geordend, qua materiaal en afmeting vergelijkbaar, maar in de vorm en kleur telkens even anders. De wand is een wezenlijk onderdeel van het totaal beeld, maar ook het licht heeft zijn rol. Epoxyhars, dat bijna transparant lijkt, weerkaatst het licht anders dan masoniet. Door schaduwwerking worden vormen toegevoegd. De onderlinge verhouding tussen de volumen wisselt naarmate de invalshoek van het licht verandert. Op vergelijkbare wijze krijgt het wandobject telkens een ander gezicht als de toeschouwer van positie verandert. Het stille, samengestelde beeld vraagt dan ook om aandachtige beschouwing.
Jan de Boer, in 1971 afgestudeerd aan Academie Minerva in de grafische vormgeving, schuwde het experiment niet. In de loop van de jaren heeft hij de grenzen en mogelijkheden van nieuw materiaalgebruik opgezocht. Via traditioneel tweedimensionaal schilderwerk is hij uit gekomen bij ruimtelijk werk in onorthodoxe materialen als pur-schuim, polyester, M.D.F, epoxyhars en masoniet. Met dit nuchtere bouwmateriaal weet de kunstenaar vormen te creëren die in hun onalledaagsheid fascineren en bijna kwetsbaar – sommigen spreken van poëtisch- overkomen.
Op de vraag waarom zijn beelden zo lang en smal zijn, gaf hij als antwoord: “Het verticale geeft doorstroming aan, naar oneindigheid. Met je ogen tast je van onder naar boven af. Je wordt minder afgeleid dan bij horizontaal. Als toeschouwer sta je meer in het beeld. Is je aanwezigheid lijfelijker.”
De Boer woont en werkt in Groningen. Hij heeft bij diverse galeries in het noorden geëxposeerd en zijn werk is door verschillende kunstinstellingen aangekocht. Deze expositie in de Kunstruimte van museum Willem van Haren is zijn eerste in Friesland.

















